donderdag 27 februari 2014

Mosterd, als eeuwen oud voorbeeld in de mystiek

Sinapis alba - Köhler–s Medizinal-Pflanzen-265
    Dit verhaal is gebaseerd op het mosterdzaad in de mystiek, en mijn eigen ervaringen er bij verwerkt als super onkruid.
    Een Sadhu Prahlada genaamd kwam terug uit de Himalaya hij had daar gemediteerd bij de sadhu's en ashrams (kloosters). Na een tijd in de Himalaya te hebben doorgebracht en al de oude originele kennis van de sadhu's te hebben mogen ontvangen, om deze weer terug naar India te mogen brengen. Op de terug weg kwam hij in het westen van India een klein dorpje binnen, en mocht daar in een kleine maar nette hut overnachten. Vroeger had bijna elk dorp in India een gasten verblijf voor Sadhu's zoals Prahlada, die voorbij trokken. Een boertje kwam bij hem, en vroeg Pandit, svamiji geef mij de mantra, dit betekend in wezen geef mij de kennis, om mij los te kunnen maken van het materiële, en verlichting te krijgen. Hij keek de boer aan en vertelde hem dat hij niet zomaar de mantra aan iemand kon geven! De man keek hem zeer verdrietig aan, en de Sadhu Prahlada dacht even na, en gaf hem toen een mosterdzaadje in zijdepapier gewikkeld, en vertelde de boer, bewaar dit zaadje voor mij tot ik terug kom. De boer deed het zaadje thuis in een kistje in die weer in een kleien pot, voor alle zekerheid zodat er niets mee kon gebeuren. De Sadhu Prahlada was ondertussen al weer op pad gegaan. Onderweg naar zijn ashram (klooster) om al die transcendentale kennis van de Boeddha, daar te delen met zijn broeders. Hij werd overal gastvrij ontvangen op zijn tocht, hij kwam in een kleine landbouw gemeenschap aan, en vertelde daar s' avonds aan het vuur over zijn tocht, en verhalen over de wijze mannen en sadhu's. Hij kreeg te eten, en een mat en een klamboe en viel daar bij het vuur in slaap. Vroeg in de ochtend kwam er een man bij hem, die zich languit voor hem op de grond liet vallen, en riep Sadhu Prahlada, Sadhu Prahlada geef mij alstublieft de mantra. De Sadhu Prahlada antwoordde dat kan ik niet zomaar doen, maar de man drong verder aan. De Sadhu Prahlada dacht er even over na, en toen haalde hij (weer) een stukje zijdepapier tevoorschijn en deed daar een mosterdzaadje in en vertelde de man , bewaar dit zaadje voor mij., tot ik terug kom. De man knikte bevestigend, en zag de Sadhu Prahlada te voet langzaam in de verte verdwijnen, ondertussen dacht hij, als ik het zaadje bewaar wordt de kiemkracht misschien minder of het verstoft. Ik plant het in de grond en geef het water en verzorg het plantje goed. En zo gedacht zo ook gedaan, en het zaadje groeide uit tot een enorme mosterdplant. Hij oogstte er een handjevol zaad er van, en daarvan zaaide hij het meeste weer uit, het jaar ging voorbij , maar de Sadhu Prahlada keerde niet weer. En zo zaaide en oogstte hij terwijl de jaren voorbij gingen. En de man, zaaide en oogstte. En er begonnen overal mosterd planten in de streek te groeien. De streek zag er geel van al de mosterd planten bloemen in de zomer. En de man oogstte en vulde er zakken mee, en perste er zelfs olie uit, die hij verkocht. En de opbrengst bewaarde hij. En bij de volgende oogst, wisselde hij de opbrengst, koperen munten en een paar zilveren om naar gouden. En bewaarde deze in een kleien pot onder de grond. Toen na jaren de Sadhu Prahlada weer in de streek wederkeerde, ging hij eerst bij de boer langs. En vroeg deze om het zaadje, de man pakte de pot en haalde het kistje er uit, maar! Toen hij het opende lag er tot zijn verbazing, behalve wat stof niets meer in, alles was vergaan. En de Sadhu Prahlada ging weer verder. Toen hij op zijn tocht naar de andere man uitkeek, herkende hij de streek niet meer, overal was er een weelde aan groen, en bloemen, en de vogels nestelden, en zongen daar tussen in. Sadhu Prahlada, Sadhu Prahlada werd er geroepen, hij keek over zijn schouder, en daar kwam de man aan, rennend!, De man liet zich al van een afstand, op de grond vallen
      om de Sadhu Prahlada te begroeten, en nam hem na deze begroeting mee, naar zijn nederige woning. De Sadhu Prahlada vroeg heb jij dat zaadje voor mij? De man keek hem aan, en vroeg wilt u alstublieft met mij mee lopen, en zij liepen samen naar achteren en daar lagen zakken hoog opgestapeld, goed gevuld met mosterdzaden, en kruiken gevuld met  mosterdolie. Hij vertelde aan de Sadhu Prahlada dat hij het zaadje geplant had omdat hij bang was dat het anders zou verstoffen, of erger. En daardoor had hij geoogst en zelfs van de bladeren ervan kunnen, eten. Ook had hij elk jaar een deel van de zaden geperst voor de olie en die steeds verkocht en het geld opgespaard tot de Sadhu Prahlada zou terugkeren.
  1. Dit verhaal is een voorbeeld hoe je een geloof of mantra moet gebruiken, net als gereedschap goed onderhouden, en koesteren, vooral met respect, dan levert de mantra of geloof na jaren, goud op, spiritueel goud! Als een goed onderhouden akker. Dit verhaal is gebaseerd op de oude vertellingen over mosterd in de religie, en ik heb alleen de basis er van zie onder gebruik. Pieter Franciscus,
    Mosterd in de Bijbel en de Koran
  2. In de Bijbel komt het mosterdzaadje voor in een gelijkenis van Jezus, die de groei van het koninkrijk van de hemel vergelijkt met het uitgroeien van het nietige mosterdzaadje tot een grote plant:
    De gelijkenis van het mosterdzaadje, Evangelie volgens Matteüs hoofdstuk 13, verzen 31 en 32:
    Hij hield hun een andere gelijkenis voor: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand meenam en in zijn akker zaaide. Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een struik, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’ [1]
    In de Koran komt het mosterdzaadje ook voor.
    Hoofdstuk 21 Al-Anbiya (De Profeten) Ayat 47:
    "En Wij zullen voor de opstandingsdag de eerlijke weegschalen opstellen en niemand zal in iets onrecht worden aangedaan. Al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje, Wij zullen het brengen; Wij zijn als afrekenaar goed genoeg."
    Hoofdstuk 16 Luqman:
    "Mijn zoon, al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje en al was het in een rots of in de hemelen of op de aarde, God zal het brengen. God is welwillend en welingelicht.
    Hoofdstuk az-Zalzalah
    “Wie iets goeds doet ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien. En wie iets slechts doet ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.”

woensdag 26 februari 2014

Hari maar geen Radha

De vertaling van Hari naar de vedabase, nergens de naam van Hari als synoniem voor Radharani. Zoals ik eerder geschreven heb, Hari is Vishnu, bekend van het SB als redder van Gajendra de olifant van de krokodil.Bekend als Gajendhra moksha
hari — the Personality of Godhead; SB 1.2.13
hari — Viṣṇu, the Personality of Godhead; SB 1.2.23
hari-kathām — transcendental message; SB 1.6.32
hari-carya — activities of Hari, the Personality of Godhead; SB 1.6.34
hari-pādābja — the lotus feet of the Lord; SB 1.8.2
hari — the Absolute Personality of Godhead; SB 1.13.54
hari-līlā — transcendental pastimes of the Lord; SB 1.16.8
hari-kathāsu — in the transcendental topics of the Lord; SB 2.3.12
hari-kathā-udarkāḥ — result in the topics of the Lord; SB 2.3.14
hari-nāma — the holy name of the Lord; SB 2.3.24
hari-toṣaṇāni — that pleased the Lord; SB 3.1.19
hari — the Supreme Personality of Godhead; SB 3.10.18
hari-medhasaḥ — who destroys the material existence of the devotee; SB 3.13.48
hari-kathām — the glories of the Lord; SB 3.15.18
hari-pada — at the two lotus feet of Hari, the Supreme Personality of Godhead; SB 3.15.20
hari-sadmani — the house of the Supreme Personality; SB 3.15.21
hari-lokataḥ — from Vaikuṇṭha, the abode of Lord Hari; SB 3.16.33
hari-līlā-amṛtam — the nectar of the pastimes of the Lord; SB 3.20.6
hari-saṃśrayam — one who has taken shelter of Lord Kṛṣṇa; SB 3.22.37
hari-medhasaḥ — of Lord Hari; SB 3.32.18
hari-toṣam — satisfying the Supreme Lord; SB 4.29.49
hari-medhase — whose brain works only for the deliverance of the conditioned soul; SB 4.30.24
hari-kīrtanam — describing the glories of the Lord; SB 4.31.25
hari — unto the Supreme Personality of Godhead; SB 4.31.31
hari — of the Supreme Personality of Godhead; SB 5.1.38
hari-varṣa — Harivarṣa; SB 5.2.19
hari — of the lion; SB 5.8.4
hari-cakrataḥ trasan — being afraid of the roaring sound of a lion; SB 5.13.16
hari-sevayā — by the means of loving service to the Supreme Lord; SB 5.13.20
hari-guru-caraṇa-aravinda — to the lotus feet of the Lord and His devotee; SB 5.14.1
hari-varṣa — the division named Hari-varṣa; SB 5.16.9
hari-varṣe — in the tract of land known as Harivarṣa; SB 5.18.7
nara-hari-rūpeṇa — His form of Nṛsiṃhadeva; SB 5.18.7
hari-kīrtanam — chanting of the holy name of the Supreme Personality of Godhead; SB 6.1.30
hari-dāsa — the servant of Hari; SB 7.1.34
hari-nara — of half lion and half human being; SB 7.8.56
hari-bhāvena — mentally accepting him as equal to Hari, the Supreme Personality of Godhead; SB 7.11.29
hari-ātmanā — completely absorbed in thoughts of Hari; SB 7.11.29
hari-daivatam — unto the Supreme Personality of Godhead, Hari; SB 7.15.5
hari-gātha-upagāyane — on an occasion of kīrtana for glorifying the Supreme Lord; SB 7.15.71
hari — the Supreme Personality of Godhead; SB 8.4.11-12
hari-smṛtiḥ — remembrance of the Supreme Personality of Godhead; SB 8.10.55
hari-medhasaḥ — whose intelligence is always absorbed in thoughts of Hari, the Supreme Personality of Godhead; SB 9.13.9
hari-kathā-amṛtam — the nectar of topics concerning Kṛṣṇa; SB 10.1.13
hari-kṛtam — was done by Kṛṣṇa; SB 10.12.41
hari-kṛtam — performed by Lord Hari; SB 10.14.59
hari-niṣevayā — by rendering devotional service to the Supreme Personality of Godhead; SB 10.20.13
hari-dāsa-varyaḥ — the best among the servants of the Lord; SB 10.21.18
hari-dāsaḥ — the servant of Lord Hari; SB 10.47.56
hari — of Lord Kṛṣṇa; SB 10.47.63
hari-rāmayoḥ — of Kṛṣṇa and Balarāma; SB 10.50.21
hāri — enchanting; SB 10.61.4
hari-śańkarayoḥ — between Lord Hari (Kṛṣṇa) and Lord Śańkara (Śiva); SB 10.62.1
hari — of Lord Kṛṣṇa; SB 10.75.27
hari-kathā — of the topics of the Supreme Lord, Hari; SB 11.3.2
hari-priyān — who are very dear to Lord Hari; SB 11.5.9
hāri — enchanting; SB 11.6.18
hari-medhasā — by the Supreme Lord, whose intelligence takes away the misery of material life; SB 11.29.45
hari-kīrtanāt — simply by chanting the Hare Kṛṣṇa mahā-mantra; SB 12.3.52
hari-līlā — of the pastimes of Lord Hari; SB 12.13.11-12
hari — Lord Kṛṣṇa; CC Adi 1.6
hari' — stealing; CC Adi 2.31
hari — the Supreme Personality of Godhead; CC Adi 2.115
hari bali' — chanting the holy name; CC Adi 3.62
hari-bhaktim — devotional service to the Supreme Personality of Godhead; CC Adi 3.83
śrī-hari — the Supreme Personality of Godhead; CC Adi 4.50
hāri — defeated; CC Adi 4.142
hari — Lord Kṛṣṇa; CC Adi 4.230
hari-tanum — the transcendental body of the Lord; CC Adi 5.224
hari hari — the holy name of Lord Kṛṣṇa (Hari); CC Adi 7.159
hari hari — the holy name of Lord Kṛṣṇa (Hari); CC Adi 7.159
hari-dhvani — the sound vibration of Hari; CC Adi 7.159
hari-bhaktiḥ — devotional service; CC Adi 8.17
hari-nāmadheyaiḥ — meditating on the holy name of the Lord; CC Adi 8.25
hari-dhvani — chanting Hare Kṛṣṇa; CC Adi 8.76
hari — the holy name of Hari; CC Adi 10.53
hari bale — chanted Hare Kṛṣṇa; CC Adi 12.21
hari hari — the holy name of the Lord; CC Adi 12.25
hari hari — the holy name of the Lord; CC Adi 12.25
hari-dhvani — chanting of the Hare Kṛṣṇa mahā-mantra; CC Adi 12.26
śrī-hari ācārya — Śrī Hari Ācārya; CC Adi 12.85
hari hari — the holy names of the Lord; CC Adi 13.21
hari hari — the holy names of the Lord; CC Adi 13.21
hari-nāma — the holy name of the Lord; CC Adi 13.22
hari — Lord Hari; CC Adi 13.23
hari hari — the holy name of the Lord; CC Adi 13.24
hari hari — the holy name of the Lord; CC Adi 13.24
hari — the holy name of Hari; CC Adi 13.92
hari hari — the holy name of the Lord; CC Adi 13.94
hari hari — the holy name of the Lord; CC Adi 13.94
hari — the holy name of the Lord; CC Adi 13.95
hari bali' — by saying the word Hari; CC Adi 13.96
hari-dhvani — the transcendental vibration of Hari; CC Adi 13.98
hari-sańkīrtana — performance of sańkīrtana; CC Adi 13.102
hari-nāma — the holy name of the Lord; CC Adi 14.22
'hari' bale — chant the holy name of the Lord; CC Adi 14.22
hari — the Lord; CC Adi 17.123
hari — the Lord; CC Adi 17.123
hari hari — of the Lord's name, Hari, Hari; CC Adi 17.193
hari hari — of the Lord's name, Hari, Hari; CC Adi 17.193
hari hari kari' — saying "Hari, Hari"; CC Adi 17.195
hari hari kari' — saying "Hari, Hari"; CC Adi 17.195
hari bale — says Hari; CC Adi 17.196
hari hari — the name of the Lord, "Hari, Hari"; CC Adi 17.199
hari hari — the name of the Lord, "Hari, Hari"; CC Adi 17.199
hari hari — the vibration "Hari, Hari"; CC Adi 17.200
hari hari — the vibration "Hari, Hari"; CC Adi 17.200
hari kṛṣṇa nārāyaṇa — the holy names of Lord Hari, Lord Kṛṣṇa and Lord Nārāyaṇa; CC Adi 17.218
hari — the holy name of the Lord; CC Adi 17.223
hari-dhvani — vibration of the holy name, "Hari Hari."; CC Adi 17.223
hari — stealing; CC Adi 17.233
hari-bhakti-vilāsa — the scripture named Hari-bhakti-vilāsa; CC Madhya 1.35
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 1.218
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 1.218
hari hari — the holy name of the Lord, Hari; CC Madhya 1.276
hari hari — the holy name of the Lord, Hari; CC Madhya 1.276
śrī-hari-dhvani — vibration of the sound Hari; CC Madhya 1.276
hari' — stealing; CC Madhya 2.37
hari bale — exclaim "Hari"; CC Madhya 3.12
hari hari bali' — vibrating the sounds "Hari Hari"; CC Madhya 3.13
hari hari bali' — vibrating the sounds "Hari Hari"; CC Madhya 3.13
hari-nāma — the holy name of Lord Hari; CC Madhya 3.15
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 3.109
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 3.109
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 3.156
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 3.156
kṣīra-corā hari — the Lord who stole a pot of sweet rice; CC Madhya 4.20
hari' — carrying; CC Madhya 5.15
hari hari bali' — chanting Hari, Hari; CC Madhya 6.38
hari hari bali' — chanting Hari, Hari; CC Madhya 6.38
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 6.238
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 6.238
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 7.78
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 7.78
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 7.87
hari hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 7.87
hari hari — the holy name of Lord Hari; CC Madhya 7.97
hari hari — the holy name of Lord Hari; CC Madhya 7.97
hari kṛṣṇa — the holy name of Lord Hari and Lord Kṛṣṇa; CC Madhya 7.98
hari — Lord Hari; CC Madhya 7.116
śrī-hari — Lord Kṛṣṇa; CC Madhya 8.112
kṛṣṇa hari — the holy names of Lord Kṛṣṇa and Hari; CC Madhya 9.8
gaura-hari — Lord Śrī Caitanya Mahāprabhu; CC Madhya 9.20
hāri' hāri' — being defeated; CC Madhya 9.45
hāri' hāri' — being defeated; CC Madhya 9.45
kṛṣṇa kṛṣṇa hari — the holy names of Lord Kṛṣṇa and Hari; CC Madhya 9.59
kṛṣṇa rāma hari — the holy names of the Lord, namely "Kṛṣṇa," "Rāma" and "Hari"; CC Madhya 9.61
hari hari — the name of Lord Hari; CC Madhya 9.61
hari hari — the name of Lord Hari; CC Madhya 9.61
hari-dhvani kari' — vibrating the holy name of the Hare Kṛṣṇa mantra; CC Madhya 9.337
hari hari — the holy name of the Lord (Hari, Hari); CC Madhya 9.361
hari hari — the holy name of the Lord (Hari, Hari); CC Madhya 9.361
hari-bhaṭṭa — Hari Bhaṭṭa; CC Madhya 11.87
aiche hari-dhvani — such vibration of the chanting of the holy name; CC Madhya 11.96
hari-bhaṭṭa — Hari Bhaṭṭa; CC Madhya 11.159-160
hari — the holy name of Kṛṣṇa; CC Madhya 11.209
hari-dhvani — vibrating the transcendental sound; CC Madhya 11.216
kare hari-dhvani — chanting the holy name of Hari; CC Madhya 12.111
hari — the holy name of Hari; CC Madhya 12.111
hari bali' — chanting the holy name of Hari; CC Madhya 12.149
hari-dhvani — resounding of the holy name of Hari; CC Madhya 12.163-164
hari — Hari; CC Madhya 12.183
hari-dhvani — the sound of Hari; CC Madhya 12.198
hari-dhvani — the sound of Hari; CC Madhya 12.198
hari hari bali' — chanting the holy names Hari, Hari; CC Madhya 13.51
hari hari bali' — chanting the holy names Hari, Hari; CC Madhya 13.51
hari-bola hari-bola — chant the holy name of Hari; CC Madhya 13.87
hari-bola hari-bola — chant the holy name of Hari; CC Madhya 13.87
hari hari — the holy name of the Lord, "Hari, Hari."; CC Madhya 13.190
hari hari — the holy name of the Lord, "Hari, Hari."; CC Madhya 13.190
hari-vallabha — a sweetmeat like bread fried in ghee (like a doughnut); CC Madhya 14.30
hari-bola bali' — chanting "Haribol"; CC Madhya 14.45
hari-bola bali' — by chanting "Haribol"; CC Madhya 14.46
hāri — charming; CC Madhya 14.200
bali hari hari — chanting "Hari, Hari."; CC Madhya 15.18
bali hari hari — chanting "Hari, Hari."; CC Madhya 15.18
hari hari — Hari, Hari; CC Madhya 16.125
hari hari — Hari, Hari; CC Madhya 16.125
hari — Hari; CC Madhya 16.168
hari — the holy name "Hari."; CC Madhya 16.187
hari-bola — the vibration of "Haribol"; CC Madhya 17.45
hari — another holy name of the Lord; CC Madhya 17.48-49
kṛṣṇa hari — the holy names of Kṛṣṇa and Hari; CC Madhya 17.128
hari — the holy name of Hari; CC Madhya 17.159
hari hari bale — began to chant the holy names Hari, Hari; CC Madhya 17.160
hari hari bale — began to chant the holy names Hari, Hari; CC Madhya 17.160
hari-bola-dhvani — the transcendental sound vibration "Haribol"; CC Madhya 17.189
kari' hari-dhvani — making the transcendental vibration Hari; CC Madhya 17.189
citta-hārī — the stealer of the hearts; CC Madhya 17.214
hari-devera — of Harideva; CC Madhya 18.22
hari-dāsa-varyaḥ — the best among the servants of the Lord; CC Madhya 18.34
hari hari — Hari, Hari; CC Madhya 18.40
hari hari — Hari, Hari; CC Madhya 18.40
hari — the holy name of the Lord; CC Madhya 18.88
bale hari hari — chants "Hari, Hari"; CC Madhya 18.177
bale hari hari — chants "Hari, Hari"; CC Madhya 18.177
hari-dhvani kari' — vibrating the holy name of Hari; CC Madhya 19.42
bala hari hari — chant "Hari, Hari"; CC Madhya 19.42
bala hari hari — chant "Hari, Hari"; CC Madhya 19.42
hari — Hari; CC Madhya 20.204
hari — Hari; CC Madhya 20.206
hari — Hari; CC Madhya 20.209
hari — Lord Hari; CC Madhya 20.217
śrī-hari — Lord Hari; CC Madhya 20.235
hari — Hari; CC Madhya 20.325
hari-kīrtanāt — simply by chanting the Hare Kṛṣṇa mahā-mantra; CC Madhya 20.345
hari — of Nārāyaṇa; CC Madhya 21.49
hari-bhaktau — in devotional service; CC Madhya 22.147
manaḥ-hārī — attractive; CC Madhya 23.75
hari-vaṃśe — the revealed scripture known as Hari-vaṃśa; CC Madhya 23.116
hari-śabdera — of the word hari; CC Madhya 24.64
hari — the Supreme Personality of Godhead; CC Madhya 24.93
hari-bhaktye — by advancement in devotional service; CC Madhya 24.272
hari-bhaktau — in devotional service; CC Madhya 24.273
bindu-mādhava hari — the Deity known as Lord Bindu Mādhava; CC Madhya 25.60
hari hari — O Supreme Personality of Godhead, Hari; CC Madhya 25.65
hari hari — O Supreme Personality of Godhead, Hari; CC Madhya 25.65
hari-dhvani śuni' — after hearing the chanting of the Hare Kṛṣṇa mahā-mantra; CC Madhya 25.66
hari hari — Lord Hari's name; CC Madhya 25.67
hari hari — Lord Hari's name; CC Madhya 25.67
hari-dhvani kari — loudly chanting the Hare Kṛṣṇa mahā-mantra; CC Madhya 25.164
kṛṣṇa hari — "Kṛṣṇa," "Hari"; CC Madhya 25.176
hari-dhvani kari' — loudly chanting the name of Hari; CC Madhya 25.176
hari — the holy name of Hari; CC Antya 1.29
hari bale — chant the holy name of Hari; CC Antya 1.63
hari-līlā — the pastimes of Śrī Kṛṣṇa; CC Antya 1.128
hari-guṇa-mayī — whose subject matter is the attributes of Kṛṣṇa; CC Antya 1.139
śruti-hāri-gītāḥ — whose songs defeat the Vedic hymns and are pleasing to the ear; CC Antya 1.159
hari-kara-parirambham — being embraced by the hands of Śrī Kṛṣṇa; CC Antya 1.163
hari hari — "O my Lord Hari, O my Lord Hari."; CC Antya 3.122
hari hari — "O my Lord Hari, O my Lord Hari."; CC Antya 3.122
hari hari — the holy name of the Lord; CC Antya 3.128
hari hari — the holy name of the Lord; CC Antya 3.128
hari hari — the Hare Kṛṣṇa mahā-mantra; CC Antya 3.138
hari hari — the Hare Kṛṣṇa mahā-mantra; CC Antya 3.138
hari-bhakti-vilāsa — of the name Hari-bhakti-vilāsa; CC Antya 4.221
hari bali' — saying "Hari"; CC Antya 6.86
hari hari-dhvani — the resounding of "Hari, Hari"; CC Antya 6.86
hari hari-dhvani — the resounding of "Hari, Hari"; CC Antya 6.86
hari hari bali' — chanting "Hari, Hari"; CC Antya 6.87
hari hari bali' — chanting "Hari, Hari"; CC Antya 6.87
hari dhvani — chanting of the holy name of Hari; CC Antya 6.119
hari hari — "Hari, Hari"; CC Antya 7.70
hari hari — "Hari, Hari"; CC Antya 7.70
hari hari dhvani — the vibration of Hari, Hari; CC Antya 7.70
hari hari dhvani — the vibration of Hari, Hari; CC Antya 7.70
hari-bola bali' — uttering "Haribol"; CC Antya 7.73-74
tāhā hari' — stealing that; CC Antya 9.89
hari-dhvani kari' — chanting the holy name of Hari; CC Antya 9.146
hari-dhvani kare — chanted the transcendental sound Hari; CC Antya 10.64
hari-dhvani kare — chanted the holy name Hari; CC Antya 10.70
hari — the holy name of Hari; CC Antya 11.58
hari-bola hari-bola — chant Hari, chant Hari; CC Antya 11.68
hari-bola hari-bola — chant Hari, chant Hari; CC Antya 11.68
hari-dhvani-kolāhale — the tumultuous sound of the holy name of Hari; CC Antya 11.70
hari-kīrtana-kolāhala — the tumultuous sound of congregational chanting; CC Antya 11.72
kara hari-dhvani — chant the holy name of the Lord; CC Antya 11.98
hāhā hari hari — alas, where is Hari, where is Hari; CC Antya 14.42
hāhā hari hari — alas, where is Hari, where is Hari; CC Antya 14.42
hari-bola bali' — saying "Haribol"; CC Antya 14.70
hari-dāsa-varyaḥ — the best among the servants of the Lord; CC Antya 14.86
hari-bola bali' — uttering "Haribol"; CC Antya 14.101
hari hari — the holy name of the Lord; CC Antya 14.102
hari hari — the holy name of the Lord; CC Antya 14.102
hari-dāsī — maidservants of the Supreme Lord; CC Antya 15.74
hāri — attractive; CC Antya 15.78
hāri — taking away; CC Antya 15.78
hari-candana — sandalwood; CC Antya 15.78
hari' — enchanting; CC Antya 15.80
kare hari-dhvani — vibrate the holy name of Hari; CC Antya 15.91
hari-dhvani kari' — loudly resounding the holy name of Hari; CC Antya 16.115
hṛdaya-hāri — attracting the hearts; CC Antya 17.40
hari-viraha — due to separation from Hari; CC Antya 18.1
hari hari — Hari, Hari; CC Antya 18.44
hari hari — Hari, Hari; CC Antya 18.44
śrī-hari — Lord Śrī Kṛṣṇa; CC Antya 18.100
nā cāhe hari — Kṛṣṇa does not look; CC Antya 19.51
hari — of Nārāyaṇa; Bs 5.43
hari — of Lord Hari; MM 8
hari-caraṇa — of the feet of Lord Hari; MM 9

dankbaar zijn

Onderzoeken wijzen uit dat dankbaar zijn en dankbaarheid tonen in je werk of sociale leven, mensen meer behulpzaam en effectiever maakt! ...